Blijkbaar is
het spinnewiel ontstaan rond de 12de eeuw. Er bestaan verschillende
soorten spinnewielen. De
meesten hebben een groot aandrijfwiel, dit maakt het trappen
minder vermoeiend. Door de grote klossen kan je lang spinnen zonder steeds van klos te moeten wisselen.
Door met de voet
op de trapper te duwen, gaat het aandrijfwiel draaien door middel van
een aandrijfsnoer. Dit snoer laat de klos draaien. Met de wijzers van de
klok mee wordt het wiel aangedreven om wol te spinnen. Aan de klos
wordt een begindraad geknoopt. De begindraad halen we door het spingat.
Bij het trappen komt alles in beweging. De begindraad wordt stevig
vastgehouden met de linkerhand. Met de rechterhand houd je een
uitgeplozen stuk wol tegen de begindraad. Door de draaiing wordt deze
lont mee op de klos getrokken.
Uiteraard zullen we
tijdens het trappen steeds wol aangeven om een draad te kunnen vormen.
Met een regelvijs kunnen we de spanning opdrijven of losser
maken, zodat de klos sneller of trager gaat draaien. De dikte van de
draad wordt gevormd door de hoeveelheid wol die je ‘aangeeft’ door het
spingat